Hiertoe hebben
de onderzoekers een experimentele studie uitgevoerd op ratten. Ze hebben twee
groepen gevormd van 13 ratten elk, één blootgesteld aan RF-EMV gedurende twee
uur per dag tijdens 30 dagen en de andere blootgesteld aan RF-EMV gedurende
twee uur per dag, maar voor een langere periode van 60 dagen. Ze stelden ook
een controlegroep samen, d.w.z. een groep die niet werd blootgesteld aan
RF-EMV. Deze groep bestond daarentegen uit slechts 4 ratten.
Om de ratten
bloot te stellen aan RF-EMV, plaatsten de onderzoekers ze in een plastic doos
met een mobiele telefoon in belmodus vlak naast hun hoofd. De telefoon bevond
zich op minder dan 5 mm van de halsstreek om een situatie met een menselijk
gesprek zo dicht mogelijk te benaderen.
Na de
blootstellingsperiode (30 of 60 dagen), hebben de onderzoekers de weefsels van
de oorspeekselklier en de omringende weefsels onder een microscoop onderzocht.
De onderzoekers zochten ook naar micronuclei, kleine structuren die in cellen
voorkomen en indicatoren zijn van DNA-schade. Deze tests werden uitgevoerd op
cellen uit de mond met behulp van een speciale kleurstof, Feulgen, die het DNA
kleurt om deze micronuclei zichtbaar te maken. DNA bevat genetisch materiaal.
Het maakt de juiste ontwikkeling en goede werking van ons organisme mogelijk.
De resultaten
lieten significante veranderingen zien in de oorspeekselklier en omringende
weefsels bij blootgestelde ratten in vergelijking met de controlegroep.
Bijvoorbeeld een woekering van cellen die veranderingen in de mond en hals kan
veroorzaken, zoals verdikking van het weefsel, meer littekens en ophoping van
bloed. Deze effecten waren meer uitgesproken bij ratten die gedurende een
langere periode waren blootgesteld (60 dagen).
Deze studie
vertoont grote beperkingen en de onderzoekers hebben verschillende
kwaliteitscriteria niet nageleefd. Ten eerste bestond het systeem dat werd
gebruikt om ratten bloot te stellen in een mobiele telefoon, wat niet geschikt
is voor nauwkeurige tests omdat het onmogelijk is om de werkelijke
blootstelling van dieren te kennen aangezien deze afhankelijk is van vele
parameters (antennelocatie, soort gesprekken, enz.). Bovendien werden de tests
niet blind uitgevoerd. Deze voorwaarde is belangrijk omdat het betekent dat de
onderzoekers niet weten welke dieren al dan niet worden blootgesteld aan
RF-EMV, om elke invloed op de resultaten te vermijden, zelfs onbedoeld. De
informatie die werd verstrekt aangaande de controlegroep volstond niet om te
bepalen of het om een shamgroep ging: deze voorwaarde vereist dat de
niet-blootgestelde dieren onder dezelfde omstandigheden worden geplaatst als de
blootgestelde, maar dan zonder eigenlijke blootstelling (de dieren worden
bijvoorbeeld in dezelfde hokken geplaatst, in dezelfde omstandigheden, maar met
het blootstellingssysteem uitgeschakeld). Dit zorgt ervoor dat een verschil
tussen de twee groepen, indien er een is, toe te schrijven is aan de
blootstelling en niet aan een andere parameter binnen de testomgeving die
tussen de twee groepen zou verschillen. De temperatuur werd niet gecontroleerd
tijdens de verschillende blootstellingen, daarom kunnen we niet uitsluiten dat
de effecten die door de onderzoekers worden waargenomen, te wijten zijn aan een
temperatuurstijging. Ten slotte bestond de controlegroep uit een zeer klein
aantal dieren, waardoor het onmogelijk is betrouwbare vergelijkingen te maken
tussen blootgestelde en niet-blootgestelde groepen, aangezien de waargenomen
verschillen (of de afwezigheid ervan) simpelweg te wijten konden zijn aan
toeval.
Vanwege de
methodologische beperkingen van deze studie moeten de resultaten met
voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Ze suggereren mogelijke effecten van
EMV afkomstig van telefoons, maar wijzen niet op een risico voor de menselijke
gezondheid. Om deze waarnemingen te bevestigen, is grondiger onderzoek nodig
volgens beter gecontroleerde protocollen en grotere steekproeven.